Overzicht: der-, ein- en null-Gruppe

In het Duits zijn er drie groepen bij lidwoorden die gebruikt worden voor de naamvallen. Elk groep heeft zijn eigen uitgangen. Je zult zien, dat veel uitgangen hetzelfde zijn.

Ten eerste is er de der-groep. Dit is de basisgroep. Hier vallen de lidwoorden de/het (der/die/das) onder, maar ook nog een aantal andere woorden, die op dezelfde manier gebruikt worden. 

In het overzicht hieronder vind je in het rood de belangrijke veranderingen. De rijtjes met uitgangen kun je uit het hoofd leren, zoals…
M: der-des-dem-den                  V: die-der-der-die
O: das-des-dem-das                  MV: die-der-den-die.

Der-Gruppe

Overzicht van de der-Gruppe met alle naamvallen en bijvoeglijke naamwoorden.

De sleutel bij de der-Groep. Wat betekent het?

Ein-Gruppe

Ten tweede is er de ein-groep. Hier vallen niet alleen de ein, maar alle bezittelijke voornaamwoorden en nog veel meer onder.

Overzicht van de ein-Groep in alle naamvallen en met het bijvoeglijk naamwoord.

Wat betekent de sleutel?

Null-Gruppe

Ten derde is er een nul-groep. Deze groep kent bijvoeglijke voornaamwoorden eigenschappen, zoals einig- en viel-.

Overzicht van de Null-Gruppe.

Hoe doe je dit?

De groepen bepalen hoe jij de naamvallen toepast in zinnen.Voor het volgende voorbeeld moet jij bekend zijn met naamval 1/3/4 en de keuzevoorzetsels.

  1. Schrijf als eerste het skelet van de zin op.
    Voorbeeld: Mein___ Mutter arbeitet in ein______ klein_____ Supermarkt.
  2. hij/hem-proef of ontleden: wat is het onderwerp (hij)?
    –> Wie/wat werkt? = antwoord is “mijn moeder” (hij). / Hij (mijn moeder) werkt in een kleine supermarkt.
    –> eerste naamval, vrouwelijk.
    Zin: Meine Mutter arbeitet in ein______ klein_____ Supermarkt.
  3. hij/hem-proef of ontleden: Is er een lijdend voorwerp (hem)?
    –> Wie/wat werkt mijn moeder?
    –> Rare vraag, dus nee.
  4. Is er een voorzetsel in de zin?
    –> Ja, het woord “in” is een voorzetsel.
    –> in is een keuzevoorzetsel en je kunt vragen “waar”. Hierom de derde naamval.
    –> Supermarkt = mannelijk.
    Zin: Meine Mutter arbeitet in einem kleinen Supermarkt.
  5. Opgelost!