Oefen hier met het werkwoord ‘haben’ in de tegenwoordige tijd.

Tip! Bekijk de theorie voordat je met de quiz begint.

Maak de quiz meerdere keren: je zult merken dat je nieuwe vragen ertussen krijgt.

#1. Vertaal het werkwoord en vervoeg: Maia und Seth haben Handys ... [haben].

#2. Übersetze (vertaal): zij hebben

#3. Vervoeg het werkwoord: [haben] ... Sie ein gutes Wörterbuch für mich, Frau Schmidt?

#4. Vervoeg het werkwoord: Meine Mutter [haben] ... eine Katze.

#5. Übersetze (vertaal): wij hebben

#6. Vul het voltooid deelwoord in: Ich habe einfach Glück [haben].

#7. Vertaal en vervoeg: Ich [hebben] ... einen Hund bekommen.

#8. Vertaal het werkwoord en vervoeg: [Heb] ... du ein Haustier?

#9. Übersetze (vertaal): jullie hebben

#10. Übersetze (vertaal): Ihr (hebben) Einkäufe gemacht.

#11. Vertaal en vervoeg: Meine Schwester [hebben] ... einen Freund,

#12. Vervoeg het werkwoord: Ich [haben] keine Zeit um das Buch zu lesen.

Fertig

Ergebnis

Wil je nog een keer oefenen met het rijtje van haben in de tegenwoordige tijd? Klik dan op oefening 1: haben o.t.t.

Print Friendly, PDF & Email