Hierbij de oefening voor de Konjunktiv II. Er zijn meer vragen in de database dan er per quiz gevraagd worden. Oefen net zo vaak als je wilt.

Bekijk de theorie nogmaals.

#1. Vervoeg de twee werkwoorden in de Konjunktiv II: Wenn er Geld [haben] ..., [fleigen] ... er nach Japan ... .

#2. Vul in: [Sein] ... ich doch langsamer gefahren!

#3. Kies de juiste vorm in de Konjunktiv II: [Zou willen] ... du Sahneeis?

#4. Vul de Konjunktiv II in: Stefan und Belle [mögen] ... noch etwas essen.

#5. Übersetze: Ik zou graag een Auto willen hebben.

#6. Vul de juiste vorm van het werkwoord in de Konjunktiv II in: Ich [können] ... meine Hausaufgaben machen.

#7. Vervoeg het werkwoord: Wie [lösen] ... ihr die Aufgabe ...?

#8. Vertaal en vervoeg het werkwoord: Du [zou moeten] ... eigentlich zum Arzt. ? Het werkwoord "müssen" gebruik je als iets noodzakelijk/verplicht/wettelijk is, "sollen" gebruik je bij een voorstel, advies of bevel van een ander.

#9. Vul in: Wenn es warm ist, [wil graag] ich an den Strand.

#10. Übersetze: wij zouden graag willen weten

Fertig

Ergebnis

-