Werkwoorden

Werkwoorden heb je in vrijwel elke zin nodig. Je past een werkwoord aan aan het onderwerp / persoon in de zin:

  1. Ik loop op straat.           = Ich laufe auf der Straße.   
    Hij loopt op straat.       = Er läuft auf der Straße. 
    Wij lopen op straat.      = Wir laufen auf der Straße.
  2. Doe jij het werk?           = Machst du die Arbeit? 
    Doet hij dat werk?        = Macht er die Arbeit?  
    Doet u dat werk?           = Machen Sie die Arbeit?

Je ziet dat het in het Nederlands niet anders is.

We kennen in het Nederlands en in het Duits verschillende typen werkwoorden. Op elk van deze pagina kun je de tijden van de werkwoorden terugvinden en oefeningen daarbij maken.