In het Duits worden er drie hulpwerkwoorden gebruikt: haben, sein en werden.

Deze werkwoorden hebben een eigen vorm en moet je uit het hoofd leren. Op deze pagina leer je de vormen van haben in de tegenwoordige tijd (Präsens) en verleden tijd (Präteritum).

Hoe maak je de tegenwoordige tijd?

Tabel: werkwoord haben in tegenwoordige tijd. (SterkinDuits.nl)

Klik hier voor een oefening met het werkwoord haben in de tegenwoordige tijd.

Hoe maak je de verleden tijd?

Tabel: werkwoord haben in verleden tijd. (SterkinDuits.nl)

Bekijk hier de theorie van het werkwoord ‘haben’.

Oefenen en oefenen! Oefen hier met het werkwoord ‘haben’ in het rijtje.

Durf jij het al aan? Oefen hier met het werkwoord ‘haben’ in zinnen.